’s Ochtends wordt er zacht op de deur van mijn strandhutje geklopt. Even weet ik niet waar dat is, maar al snel schiet het me te binnen. Met een glimlach neem ik het dienblad in ontvangst. De geur van gebakken eitjes met spek waait me tegemoet op een zachte zeebries. Het uizicht zie ik voor het eerst want ik ben om half twee ’s nachts geland. Adembenemend.
In het gehuurde jeepje met het stuur aan de rechterkant rij ik op de rechterbaan over een slingerend eilandweggetje. De ramen staan open, een muziekje aan, het tropisch groen met gele en roze spikkeltjes. Op weg naar de hoofdstad van dit prachtige eiland. Het is de kleinste hoofstad ter wereld denk ik. Er wonen maar 300 mensen.
Het einde van de weg is ook echt het einde van de weg in dit hoofdstadje. Ik stap uit bij de kade waar een azure zee zacht tegenaan kabbelt. Een van de vissers vraagt of het ook eens wil proberen en al snel hangt er een spartelend sardientje aan de haak. Ze nodigen me uit voor de lunch waarbij de zojuist gevangen visjes met een citroen en knoflook sapje rauw verorberd worden. Lekker.
We praten over dit vreemde hoofdstadje en ik weet nu waarom het zo is. Dat ga ik delen met de mensen die het willen weten. We nemen afscheid. Misschien zien we elkaar nog. Zaterdag gaan ze op schildpaddenjacht en ik mag mee. Zo was mijn eerste dag op Palau.
’s Avonds ontvang ik het bericht waar ik al een tijd tegenop zie. Iemand van wie ik veel hou is ernstig ziek. De komende vijf jaar ben ik zelden thuis. Ik reis de hele wereld rond. Ik maak foto’s van het straatleven in alle hoofdsteden. Ik. Vandaag was een fantastische dag.