Het derde kleinste land ter wereld. Nauru is wel een heel bijzonder verhaal. Ooit was Nauru het tweede rijkste land ter wereld, per hoofd van de bevolking. Nu is Nuaru een totaal ingestort fopeilandje met 97% werkeloosheid en 50% diabetes 2. Hoe komt dat dan? Dat komt door fosfaat.
De zegening alsmede de vloek van Nauru is fosfaat. Door de geisoleerde ligging van het eiland op allerlei pacifische vogelsroutes hebben de voorbijtrekkende vogels de afgelopen miljoenen jaren hier hun vogelpoepjes op de rotsen gedeponeerd. Deze “guano” heeft zich in de afgelopen millenia vermengd met het koraal en onder druk vormt dat fosfaat. Van fosfaat maken mensen lucifers, kustmest en natuurlijk bommen. Het eilandje is maar klein, slechts 27 km2. Maar het had wel een van de grootste voorraden fosfaat ter wereld.
In het begin van de 20e eeuw vind een Duitser de eerste fosfaat op Nauru. In die tijd zijn de lokale stammetjes voornamelijk bezig met elkaar uitmoorden. Een Engelsman neemt het over maar door tussenkomst van de eerste wereldoorlog blijft het een kleine industrie. Daarna wordt er wat meer aan de weg getimmerd en begint de lokale bevolking ook in de gaten te krijgen dat er centen zijn te verdienen met dit witte poreuze gesteente. Maar weer komt er een wereldoorlog voorbij. Pas in de 60-er jaren gaat men de fosfaatwinning echt serieus aanpakken. Vooral Australie is zeer geinteresseerd want die hebben grote delen onvruchtbaar land waar ze de fosfaat goed voor kunnen gebruiken. Er wordt voor die tijd een enorme industrie opgebouwd en miljoenen tonnen fosfaat worden verscheept via de fosfaatkokers, over de lopende banden, via de kranen zo de schepen in. Het slaat grote gaten in het midden van het eiland. Een doolhof van limestone pilaren blijft achter tussen welke alle fosfaat werd weggehaald. De schade aan het milieu is enorm, zowel op het land als in de zee.
Maar Nauru wordt rijk. Heel rijk!
Wat te doen met al dat geld? Al snel wordt besloten dat niemand meer hoeft te werken. Met een bevolking van slechts 10.000 mensen hoeft dat ook niet met zoveel inkomsten. Iedere inwoner van Nauru krijgt van de regering een maandelijkse bijdrage die vrij fors is. Daarnaast wordt besloten dat er een fonds wordt opgericht waarmee grote sommen geld worden belegd om het nageslacht te kunnen blijven voorzien in de intussen uiterst luxieuze levenstijl van de Nauruanen. Let wel: alles moet geimporteerd worden dus alles is duur. Men denkt: het kan niet op in Nauru! Het gaat dertig jaar lang goed.
Maar dan is het op.
Tegen die tijd gaan de Nauruanen eens aankloppen bij de regering om te kijken wat er terecht is gekomen van dat fonds. Het blijkt dat er dertig jaar lang niet zo heel handig belegd is. Een dieptepunt was een investering van 3 miljoen pond in een toneelstuk op West End over het liefdesleven van Leanoardo DaVinci, dat volledig flopt.
Ook werden er een paar niet lopende golfbanen aageschaft, een aantal hotels op Hawaii neergezet die uiterst slecht gerund werden en nog een heel aantal andere investeringen die slecht tot niet terugbetalen. Niemand weet precies hoe het zit want het fonds is alles behalve transparant. Dat in combinatie met een hoog corruptiegehalte levert een totaal onduidelijk beeld op van wat er is gebeurd met al die fosfaatdollars. De fosfaatdollars die het hele eiland verziekt hebben.
Tegen begin negentiger jaren is het fosfaat helemaal op. Afgegraven. De Nauruaanse bevolking is al decennialang niet gewend om te werken. Maar wel om er een zeer luxe en ongezonde levensstijl op na te houden. Het eiland heeft geen enkele andere grondstoffen, geen landbouw en geen visserij meer. Het is feitelijk onbewoonbaar geworden.
Tegen de tijd dat ik op Nauru aankom heeft het eiland een zeer trieste aanblik. Er is maar een weg waarop je dezelfde, intussen brakke auto’s, dezelfde saaie rondjes ziet rijden. Vroeger reed men een auto van een jaar oud zo de zee in en kocht een nieuwe. Nu rammelen de barrels de afgetakelde huizen voorbij. Twee keer per week land er een half lege vlucht met wat zakenlieden en wat diplomaten. In het hele land is maar een bar te bekennen. In een van de twee hotels. Ik ben er geweest. Er was niemand. Het is nogal een sombere bedoeling op Nauru geworden.
De laatste twee decennia hebben de regeringen, met de handen in het haar, een aantal bizarre bokkesprongen gemaakt om het hoofd boven water te houden. Zo hebben regeringen van andere landen Nauru fors betaald om zelf als land erkend te worden. Bijvoorbeeld Taiwan. Om na een aantal jaar te horen te krijgen van weer een nieuwe regering dat Nauru Taiwan toch niet erkend als zefstandige staat. Hiervoor heeft Nauru weer een aanzienlijk bedrag van China ontvangen. Ook is een aantal jaar lang de wetgeving zo aangepast dat het uitermate interessant werd voor criminelen om hun zwarte geld te investeren in allerlei duistere zaken via Nauru. Hierdoor kwam Nauru op de zwarte lijst van het IMF terecht. Zelfs in 2009 nog erkende Nauru als een van maar vier landen ter wereld Abchazie en Zuid-Ossetie, de gebieden waar Rusland en Georgie een oorlog over voerden. Ook hiervoor is Nauru fors gecompenseerd door Rusland.
Het bizarre is dat de Nauruanen nog steeds trots zijn op hun kleine eiland. Australie heeft een aantal jaar geleden aangeboden om het eiland te kopen en de gehele bevolking zo hop in een keer te verkassen naar een soortgelijk Australisch eiland. Nauru zou vervolgens helemaal worden afgegraven op zoek naar de laatste restjes fosfaat. Praktisch het hele eiland stemde tegen. Het is typisch maar ik heb het vaker gezien. In de meest sombere landen zijn mensen toch nog steeds gehecht aan hun geboortegrond.
Bij zonsondergang loop ik langs de zee naar de stijgers waar de roestige kranen van de oude fosfaat industrie als verdrietige zwanen in zee staan. Er staat een groot bord dat de installatie op elk moment in elkaar kan storten. Dat geldt niet alleen voor die kranen, denk ik. Met gevaar voor eigen leven betreed ik de lange betonnen stijger die als een dunne klauw de diepblauwe pacific vastgrijpt.
Aan het eind staan de kranen verroest en vervaarlijk te piepen en kraken in de wind en het getij. Vogels keren terug van zee met hun laatste vangst. Er spelen wat kinderen in de branding. Verder is het stil. De ondergaande zon kleurt prachtig met de bruine knoestige kranen in de azure zee. Maar het is een triest aanblik. Want het had zo anders kunnen gaan.
Er zijn nog veel meer bizarre verhalen te vertellen over Nauru. Ik ben er vijf dagen voordat de volgende vlucht landt en een half uur later snel weer vertrekt. Vijf dagen op Nauru is lang vind ik. Er is feitelijk niets te doen. Ik huur een jeep en rij naar het midden van het eiland over een stoffige weg. Langs de fosfaatkokers en de lopende banden het binnenland in. Er liggen de resten van een verzande rails naast de weg waarop ooit de waggonetjes het fosfaat afvoerden. Het is snikheet. Langzaam begint het landschap te veranderen in een onaards doolhof van pilaren. Duizenden naast elkaar. Sommigen zijn wel 15 meter hoog. Daartussen zat het fosfaat wat nu ergens vermengd is met droge woestijngrond in Australie. Als ik verder rij kom ik de Duitser tegen die bij mij in het vliegtuig zat. Een uiterst stille kerel die vijf dagen in dezelfde kleding rondloopt en daardoor enorm stinkt. Dat weet ik want hij zit in hetzelfde hotel. Het beste hotel van de twee. Toch besluit ik om hem een ritje over het eiland aan te bieden. Het is bloedjeheet. Hij ziet er naast aangekoekt ook nogal overgekookt uit. Bovendien zit ik na drie dagen ook wel om een praatje verlegen.
Veel wordt er niet gesproken als we de afgravingen rondrijden. Soms stappen we ergens uit waar een wijds uitzicht is over het pilarenrijk. Een unheimisch landschap waar niets meer mee te beginnen valt. We komen langs een krater die gevuld is met wegroestende graafmachines die kriskras door elkaar liggen geslingerd als afgedankte speeltjes van een opgegroeid reuzenkind. Ook verlaten na de laatste restjes “wit goud”.
Natuurlijk is het lastig om een typische foto te maken van deze lege dofheid. Een ongezond volk met een nog ongezondere toekomst. Maar Nauru heeft nog een laatste kans..!
Want er is een zogenaamde “secondary layer” fosfaat ondekt. Veel moeilijker te bereiken dan vroeger maar met de juiste aanpak en machines moeten ze erbij kunnen. Het zou weleens net de redding kunnen zijn van dit voor overig ten dode opgeschreven land. De Nauruanen hebben intussen ook wel begrepen dat het dit keer anders moet. Ik praat wat met mensen hier en daar en het blijkt dat ze allemaal willen dat het nu echt anders gaat. De potentiele voorraden zijn nog steeds enorm. Daarom hebben de eilandbewoners gekozen voor jongere en idealistischere politici. Met hulp van Australische financial controlers beginnen ze binnekort aan de “Secondary Mining”. Een tweede en meteen laatste kans voor Nauru? Geleerd van eerder gemaakte fouten? Het lijkt mij zeer moeilijk om de lokale mentaliteit te veranderen. Maar wie weet lukt het ze. Om hun kleine eiland te redden.