Een vriendelijke taxichauffeur, een Hutu of een Tutsi, rijdt me door de kleiige rode straten van Kigali. Het is zondag. Er zijn weinig mensen op straat. Uit het raampje van het vliegtuig kijkend naar de ontelbare witte, grijze en soms blauwe daken op de groene deken van Afrika, schieten de beelden van 12 jaar geleden door mijn hoofd. Miniatuur auto’tjes rijden over de kloppende aders richting hun bestemming met vastgesjorde lading achterop, in de gaten gehouden door de altijd aanwezige 2 a 3 sjouwers in de laadbak.
In een absurde gedachte verwacht je lijken op straat en dronken, ronddolende Interahamwe milities die de straten nog steeds onveilig maken met met hun machetes op zoek naar nog meer verkrachting, verminking en moord.
Het is enkel de kortstondige realiteit van mijn gedachten. Mijn chauffeur vraagt in zacht Frans waar ik vandaan kom en hoe lang ik blijf. Uit het linkerraam zie ik een blauwe lucht met donzige lage wolken. Valken snijden sereen op de termiek boven de stad. Uit het rechterraam komen zware grijze regenbuien aandrijven over een paar van de duizend heuvels die Kigali omringen.
Een paar weken eerder ben ik in Brussel voor mijn visum. Uit de hele rij taxi’s voor mijn hotel stap ik uitgerekend bij Ladislas in de taxi. Een Rwandees van begin 30. Ik probeer hem in mijn roestige Frans uit te leggen dat ik naar de Avenue des Fleurs moet waar de Rwandese Ambassade resideert. Hij zegt:” You want to go to my Embassy!” Ladislas brengt me waar ik zijn moet. En de twee dagen daarna ook, het blijkt een lastig visum. Inmiddels heb ik me verdiept in de recente geschiedenis van Rwanda en ik vraag hem zijn mening.
Ladislas vertelt;
“Iedereen denkt altijd dat de Hutu’s verschrikkelijk zijn. Maar er is nog een hele voorgeschiedenis. Tegenwoordig heerst de Tutsi minderheid over de Hutu meerderheid. Hutu’s verdwijnen in de gevangenis en niemand hoort ooit nog van ze! Hutu’s worden vermoord in de gevangenissen en geen haan die er naar kraait. Daarom heb ik gedemonstreerd toen president Kagame in Brussel was. Hij is een slechte man. Een moordenaar! En nu gooit hij alle Fransen eruit. Mijn land gaat eraan. Het is een schande!”
Terug in Kigali vind ik een bar waar het gezellig is en waar ik de enige blanke ben. Het is een tent in de deftige buurt dus de Rwandezen zijn automatisch ook deftig en spreken frans en engels. Ik wil er zolangzamerhand toch het mijne van weten, ook al heeft Ladislas me afgeraden om over politiek te praten in Rwanda. Na 2 dubbele whisky’s stap ik op de grootste Rwandees in de tent af en begin een gesprek. Zijn naam is Aimable.
Aimable vertelt:
Ik vraag hoe het nu gaat in Rwanda. Volgens Aimable is alles ok. Het aantwoord op mijn vraag of er een beetje gelijkheid is in Kigali wordt volmondig bevestigd. Iedereen is gelijk blijkbaar..
Als ik hem vertel over Ladislas in Belgie antwoordt hij kil: “Thats why all the cowardous Hutu murderers are hiding in Belgium”.
Ik ben hier maar 3 dagen en ga nooit begrijpen tot in hoeverre dit nog leeft en ooit opgelost gaat worden. Maar dronken mensen en kinderen spreken de waarheid..
Ik ben bang dat Rwanda er nog lang niet is. Dat is wel te begrijpen. Ik kijk ook nog steeds met een scheef oog naar Duitsers. Dat was intussen 60 jaar geleden. En ik was er niet eens bij.